>
Ondersteuningscompagnie
 
De geschiedenis van de ondersteuningscompagnie lag opgesloten in die van de tirailleurcompagnieŽn en omgekeerd. Immers, weinig posten werden er gevestigd zonder dat er mannen van de Ondersteuning bij werden ingedeeld en hun aandeel in het verdedigen, wachtkloppen, op patrouille gaan en acties houden, deelden ze gelijkelijk met de infanteristen.
Ze werd in Darmo opgericht op 26 maart 1947, met als basis de toenmalige 4e Compagnie van Majoor Thomasson, die aangevuld werd met "geschikt bevondenen'. uit andere compagnieťn. Er werden drie pelotons geformeerd: een mortier-, een mitrailleur- en een carrierpeloton waarvan de luitenants van Voorst en v. d. Weerd en sergeant Majoor Hiemstra de leiding hadden.
Bij de verhuizing naar Modjosari werd de gehele compagnie uit haar verband gerukt. De Staf en het carrierpeloton kwamen in Modjosari terecht, maar de mortieren en mitrailleurs werden over het hele bataljon verdeeld. Poegeran, Djaboeng, Pandanaroem, Kremboeng, Sedatti en punt 109, zijn namen die niemand zal vergeten. Niet dat het er daar zo heet aan toeging, maar het waren nu eenmaal de eerste buitenposten. Vlak ervoor liep de demarcatielijn.
Met de politionele actie kwam er verandering in alle opzichten. Men kwam in beweging en nam deel aan alles wat er zoal voorviel. Op 29 Juli dacht men in actie te zullen komen. Republikeinse collega's van de "drie inch" hadden Patjet bestookt en er moest voor ondersteuning gezorgd worden. Het bleef echter rustig.
Aan de tocht van Patjet naar Batoe werd deelgenomen door sergeant Bontje, die met zijn sectie heel wat moeite te overwinnen kreeg: 't was een hele toer om met het zware materiaal de rest van de colonne bij te houden.Men verhuisde op 19 Augustus naar Malang van waaruit een gedeelte naar Pakisadji ging.
 

Op de top van de Panderman

Miedemabrug in aanbouw

 
Majoor Veninga en luitenant Jonkman hadden de zaak echter al gauw bekeken. Men kreeg de beschikking over een schoollokaal, d.w.z. een paar stukken muur en een vloer waar men zijn tempatje op kon zetten. In de avond van 23 Augustus kwam men in actie in de streek tussen Malang en Pakisadji.
In de vooravond van 18 September werd er een aanval op het kamp uitgevoerd. De mortier deed ook mee, maar plotseling bracht het inwendige van de loop een zeer eigenaardig geluid voort. Alle snipers trotserend nam Koops een duik in een sloot, terwijl sgt Bergervoet en Driessen ook vlugger buiten de stelling lagen dan ze in de gaten hadden. Kenter, die pas later doorkreeg dat er iets haperde, klauterde aan de andere kant de stelling uit. De granaat had de loop toch verlaten, maar was vlak bij een eigen brenstelling ontploft. Gelukkig liep het goed af. Twee dagen later werd de westzijde van Pakisadji gesweept door 1-12 R.I. , bijgestaan door de 3e compagnie. Dat de mortierlopen die morgen niet gebarsten zijn pleit voor de kwaliteit van het materiaal, want om in een paar uur zo'n 130 granaten af te schieten was zowel voor de stukken als voor de bemanning een zware opgave, vooral daar er telkens op andere doelen gericht moest worden. In Pakisadji werd men mortierist.
 
Dan kwam begin November de order : "Allen naar Batoe". Een prachtige villa werd het kwartier en de daarin wonende familie spaarde kosten noch moeite om het naar de zin te maken. Om enige verlichting te brengen in de zware patrouillegang van de infanteristen ging men ook mee op wandel. Dat was niet altijd plezierig, vooral, omdat men aan dit werk nog moest wennen. De anderen hadden al een respectabel aantal kilometers achter de rug, terwijl de tochten zelden groter waren geweest dan van de stelling naar de kali en terug! Men had het echter gauw onder de knie, want vlak bij huis lag een prachtig oefenterrein: de Panderman! En die is verschillende malen beklommen. Onder meer door sgt. Busker. De eerste dag moest hij de top "doen", daarna ging het door "licht" golvend terrein, enkele honderden meters dalen en nog iets meer stijgen. De derde dag ging hij bij wijze van afwisseling nog even kijken of de top nog op dezelfde hoogte lag en tenslotte kon hij de ruim 2000 meter hoge berg weer afdalen. Achter het Chinese Huis lag een aardig zwembad. Jammer genoeg overdekt, zodat het water koud bleef en een duik niet zo aantrekkelijk was. Het peloton kon op alle gebied aardig meedoen. Post Johannes won de 1e prijs bij de versieringen ter gelegenheid van de Troonsbestijging.

Verder was er het voetbalelftal, dat onder de naam "Mipe" aan de Bataljonscompetitie in Batoe meedeed en er de eerste plaats deelde met de chauffeurs. Volleybal werd vooral door de secties Busker en Breukelman beoefend en dat de mannen van Klaas Kok er goed mee overweg konden bleek uit het resultaat in het tournooi te Batavia, waar de mitraillisten de eerste prijs in de wacht sleepten.

De dag voor Kerstmis 1947 beleefde het mortierpeloton de sensatie, dat met zes stukken tegelijk gevuurd moest worden. De bedoeling was, dat de mitrailleurposten in het westen zouden worden uitgeschakeld, maar helaas, de stilte, die er aan die kant had geheerst tijdens de beschieting werd daarna grandioos verbroken door een groots kogelconcert! Een definitief stilzwijgen werd pas opgelegd door de bepalingen van de Renville-overeenkomst. Kort daarop verhuisden de mortieren naar ,,0bat", terwijl de mitrailleurs het nog een maand of wat volhielden op "Johannes" en het Chinese Huis.

In Loemadjang kwamen de carriers in actie. Niet, dat ze tot dan toe niets gepresteerd hadden, maar daar waren ze vrijwel ieder uur van de dag in de weer. Steeds moesten ze gereed staan,om bij het eerste sein te kunnen uitrukken, nu eens voor de beveiliging van een colonne, dan weer voor ondersteuning tijdens een actie.Enkele carriers trokken er op uit, reden pardoes op een punt vijftiger in en kregen dat wapen ook nog onbeschadigd in handen.

Ook gedurende de tijd in Probolinggo en Passoeroean bleven carriers, mortieren en mitrailleurs verdeeld over de compagnieŽn en in al die gebieden werd menig zweetdruppeltje gelaten, want er werd in hoofdzaak tirailleursdienst verricht. In die tijd kreeg de compagnie haar eerste dode te betreuren.

In de Grissee-sector kreeg de "O"-compagnie als patrouillegebied Lamongan toegewezen. Een gedeelte echter was nog steeds te gast bij andere compagnieŽn. Men rook daar het einde van de IndiŽ-periode en werd steeds onrustiger. Veel viel er niet meer te beleven en niemand betreurde het toen het bericht kwam, dat men zich in Soerabaja moest gaan klaarmaken voor de repatriŽring.

Het ogenblik kwam, dat alle spullen mochten toevertrouwd worden aan foerier Uitzetter, die met zijn helper Jan Donker tot dan toe er voor gezorgd had, dat iedereen zo ongeveer in de kleren bleef. Veel had hij nooit uit te delen gehad. maar als er wat kwam werd men ook prompt geholpen, daar hij de stelregel huldigde: "Hoe eerder ik het kwijt ben, hoe liever het mij is". Over de administratie had in het begin de S.M.A.Koopman de scepter gezwaaid, maar toen die ging repatriŽren werd sergeant van Lent er de machtige man. Hij werd bijgestaan door korporaal van der Zee. Dan was er ook nog een "wapenkamer" bij de compagnie, waarin Marks altijd te vinden was. Hij zorgde er voor, dat de reserve-mitrailleurs piekfijn in orde waren; verder behandelde hij de reservemunitie. Algehele leiding was in handen van S.M.I. Miedema. Onder zijn leiding werden in de Batoe-tijd enkele bruggen gerepareerd en een ervan werd zelfs naar hem genoemd.

Het commando van de compagnie was aanvankelijk in handen van Majoor Thomasson. Al spoedig werd die benoemd tot plaatsvervangend Bataljonscommandant en de luitenant van Voorst volgde hem op, die de compagnie tot het einde toe is trouw gebleven. Ondanks de verspreide ligging vormde de "O" Compagnie een prettige eenheid met prima onderlinge verhoudingen, waarin iedereen met plezier diende.