Betaalmeester
 

Betaalmeester van het bataljon was Lnt. H.van Wijk die maandelijks "grote verzoendag" hield


Administratie
 

Administrateur van het bataljon was sergeant v.d. Helm


Bataljonsfoerier
 
Toen in november 1946 de manschappen al lang geen belangstelling meer hadden voor de 'Kota Agoeng', was de foerier druk doende ongeveer 1000 kisten te vullen met kleding e.d. die nog in de ruimen van het schip lagen. De eerste dagen had men er letterlijk de handen vol aan die te openen en de inhoud te registreren. Een grote handicap waren de Engelse benamingen, die vaak onvertaalbaar bleken, maar ten slotte kreeg sergeant-majoor Koekoek er handigheid in.
In november '46 werd een bespreking gehouden met de verplegingsofficier, luitenant Brookhuis. Er moest namelijk een administratie ingericht worden door de foeriers en de moeilijkheid was, dat niemand een aparte opleiding had gehad en dat de meesten in het burgerleven betrekkingen bekleedden, die weinig met administreren te maken hadden. In onderling overleg en naar eigen inzichten is toen een administratie opgebouwd
De taak van de bataljonsfoerier, sergeant D. Koekoek, die bijgestaan werd door sergeant Wemekamp, soldaat C. Groenland, soldaat J. Westerbeek en de Javaanse bedienden Rakyo en Sarip, bestond uit het maandelijks omwisselen van kleding en uitrusting, het repareren van schoenen, kleding, verlichting etc. De verschillende verhuizingen van het bataljon hadden weinig invloed op de aard van het werk, behalve dat men in het oosten van Java wel wat ver van Soerabaja en Malang was verwijderd. Jan Westerbeek moest dan ook heel wat kilometers draaien. In Grissee was sergeant-majoor Koekoek zo fortuinlijk naar huis te kunnen gaan en van dat ogenblik af stond sergeant Wemekamp er alleen voor. De laatste twee weken van inlevering en afwikkeling brachten heel wat werk met zich mee, zodat een dank baar gebruik werd gemaakt van de diensten van sergeant-majoor Berendsen, die tot dan toe bij de materieeldienst "X"-Brigade en "A'-Divisie was ingedeeld geweest.

Geweermakerij
 
Deze dienst vergde weinig personeel, maar toch kon men moeilijk zonder. Sergeant Westerweel begon op 11 November 1946 tesamen met soldaat P. de Ruyter een bescheiden werkplaatsje op te zetten. Gereedschappen waren er praktisch niet, maar door aanvulling en door zelf iets te maken werd het geleidelijkaan beter en er kon gestart worden. In de plaats van de repatriŽrende de Ruyter kwam Nielen, die tot het einde bleef. Voor het regelmatig onderhoud van rijwielen werd de soldaat Doornheim aangesteld, die vaak met de handen in het haar zat, want met de fietsen werd meestal niet bepaald zachtzinnig omgesprongen. Na de uittocht naar Modjosari, waar veel posten geen electrisch licht hadden, moesten talloze petroleumvergassers gerepareerd worden, want die apparaten bleken nogal eens te weigeren.
Bij het naderen van de 1e Politionele Actie werd de munitie-voorraad behoorlijk aangevuld. Dit eiste veel zorg, want alles moest volgens de regels aangepakt worden : luchten, verzetten en regelmatig controleren. Met het toenemen van het aantal verschoten patronen werd ook de wapenreparatie uitgebreider. De kleine reparaties konden in de eigen werkplaats verholpen worden, maar de grotere karweitjes gingen naar Malang of Soerabaja. Vooral het laatste jaar, door de vele acties en patrouille' s, hadden de wapens het zwaar te verduren. Ze waren al niet nieuw toen ze bij het bataljon kwamen en dus was het geen wonder dat er nogal eens een storing optrad. Een enkele keer werd een grote inspectie gehouden door een officiŽle ploeg, waarbij alles nauwkeurig getest werd. Bij de kermis in Batoe werd door het personeel een schiettent opgericht die veel belangstelling trok. Later keerde Doornheim terug naar Nederland. Hij werd vervangen door korporaal Jagersma.
Zonder veel bijzonderheden ging de tijd verder; munitieaanvulling en wapenreparaties waren aan de orde van de dag.In Probolinggo kwam het bericht, dat de sergeant Westerweel - die ook een tijdlang als verdienstelijk conferencier de Band had vergezeld - mocht repatriŽren. Nielen werd nu chef van de afdeling. De laatste dagen van het verblijf in Soerabaja werd de gehele bewapening en munitie ingeleverd via de bataljonsfoerier.

Kazernering
 

Dit onderdeel van het bataljon werd direct in Soerabaja opgericht omdat er geen pionier-peloton was. Sergeant-majoor van Pijkeren startte met de soldaten Houtkamp en Hoes.Met het toenemen van de werkzaamheden werd het aantal mensen vergroot. Al vrij snel volgde sergeant v. d. Borre majoor van Pijkeren op en toen de eerste wegens ziekte het werk moest staken werd sergeant Staas het hoofd van de kazernering.

Het eerste karwei in Darmo-kamp was het in elkaar zetten van de veldbedden. Het kostte ontzettend veel moeite, want vrijwel niets paste en bestond uit slecht materiaal.

Modjosari bracht nieuw werk: het opknappen van legeringsgebouwen, het aanbrengen van deuren en ramen, het verhelpen van lekkage's enz. Met de uitbreiding van het aantal posten steeg de vraag naar zandzakken en prikkeldraad. Heel wat drietonners waren nodig om aan de vraag te kunnen voldoen. Brehler en zijn mannen kregen de handen vol werk, toen ze zo maar ergens in de wildernis de post "Xantippe" moesten inrichten.

Maar er viel nog meer te pionieren: bruggen herstellen en aanleggen, tankvallen dichten, soms in samenwerking met de "0"-compagnie, b.v. de tankval op de weg van Sebaloeh naar Poenten en die tussen Patjet en Trawas. Verder was er in Batoe en Malang in het begin heel wat werk om de legeringsgebouwen bruikbaar te maken. Dat daarbij niet altijd aan eigenbelang gedacht werd, bewees wel de school in Batoe, die grotendeels door soldaten van deze dienst in de vrije tijd hersteld werd. Sinds de Batoe-tijd lukte het iets beter om materialen te krijgen, dank zij de goede samenwerking met de verschillende plaatselijke Genie-diensten in Malang, Loemadjang, Pasoeroean en Lamongan.

Niet alleen het timmeren en repareren waren de bezigheden van Kazernering. Na Batoe moesten n.l. in iedere legeringsplaats de gebruikte woningen worden geregistreerd, de huurwaarde worden getaxeerd met de plaatselijke Bestuursambtenaren en maandelijks moest dan de huurrekening worden opgemaakt. Dat bracht een vrij omvangrijke administratie met zich mee, vooral omdat het Bataljon in het laatste jaar van z'n verblijf in IndiŽ nogal eens verhuisde. En tenslotte was er dan nog de belangrijke uitgifte van het kazerneringsmeubilair. Aanvankelijk waren de hoeveelheden zeer gering, maar sinds Probolinggo, waar de inventaris van een vertrekkend onderdeel overgenomen werd, was er behoorlijk wat aanwezig. De registratie moest zeer nauwkeurig geschieden, omdat al het spul tamelijk kostbaar was. Echter, ook hier bleek bij de eindafrekening alles te kloppen.

Na Modjosari wisselde de functie van dienstdoend officier van kazernering nogal eens. Wegens uitbreiding van de werkzaamheden op het bureau van de Vpl.O. werd sergeant Staas daar naartoe gedirigeerd en hij werd vervangen door sergeant Koers, die op zijn beurt bij zijn overplaatsing naar de Staf van de "X"-Brigade, werd opgevolgd door sergeant Romijn. In de Probolinggotijd vertrok die naar Batavia voor demobilisatie en nu werd de dienst overgegeven aan korporaal Brehler, die z'n sporen op het gebied van kazernering wel verdiend had. Iedereen kende hem en wist hoe hij onafgebroken sjouwde. Tenslotte werd, met de andere, ook deze dienst opgeheven en kreeg men een compliment voor de keurige afwikkeling.