Stafcompagnie
 

De stafcompagnie was van een geheel andere samenstelling dan de tirailleurscompagnieŽn. Verschillende takken van dienst waren er administratief in ondergebracht.De meeste van deze diensten stonden rechtstreeks onder bevel van de Bataljonsstaf. Vanuit de stafcompagnie zijn deze diensten gedetacheerd bij de tirailleurscompagnieŽn wanneer dat nodig was. Tengevolge van onderbezetting bij deze eenheden was de Stafcompagnie vrijwel ononderbroken aangewezen op eigen mensen voor de bewaking van de bureau's en legeringsgebouwen.Het commando over de Stafcompagnie had aanvankelijk luitenant Walburg, maar na de 1e Politionele Actie werd dit overgenomen door kapitein Veenstra.

Menage
De eerste tijd in Darmo was niet eenvoudig, want een behoorlijke inrichting was er niet te vinden.Dankzij een KNIL-sergeant-kok kregen Hoes en zijn mannen het vak beter onder de knie.Later kwamen er nog vier koks bij. Het keukenmateriaal was niet veel bijzonders, een paar oliebranders, wadjangs,rijsstomers, enkele biscuitblikken en een plank om te roeren. Het aantal "echte" koks bleek al snel te klein en vooral toen de buitenposten bezet werden, was uitbreiding noodzakelijk. De fourage werd iedere dag gehaald bij het Verzorgingspeloton op Kaliasin. Het aanvankelijke aantal keukens van 4 op Darmo en Ngagel, werd al spoedig op 7 gebracht. Half april kwam men in Modjosari en er kwamen steeds meer filialen bij: Modjokerto, Poegeran, Pandanaroem, Kremboeng en Sedatti. Na de 1e Politionele Actie werden ook Patjet, Trawas, Tretes en Lawang gefourageerd.Naar Batoe werd ťťn keer per week met een 'masterjeep' van de V.O. gereden.Op 20 Augustus 1947 verhuisde de Staf naar Malang.Daar de menage niet zelf kon zorgen voor vuurdekking van de konvooien, kwamen de posten Pakisadji, Kendal Pajak en Kebon Agoeng voortaan zelf hun spullen halen.Het konvooi naar Batoe ging nu dagelijks en men kreeg ondersteuning van een scoutcar, carriers en vaak was er radioverbinding met een vliegtuig.De grote fourage voor het Bataljon kwam nog steeds uit Soerabaja.Half november 1947 werd verplaatst naar Batoe waar 3 compagnieŽn gelegerd waren.

 
Door het grote aantal militairen in Batoe duurde het daar lang voordat iedereen voorzien was. Een tweede keukenwagen werd ingevoerd. Half januari 1948 werd de fouragering in twee delen gesplitst, omdat ook Lawang voorzien moest worden. Vanuit die plaats werden toen Blimbing,Singosari en Nongkodjadjar bevoorraad. In het Westen kreeg men er in die tijd Sebaloeh bij, een post die erg in trek was, ondanks de maand "opsluiting" die er iedere kok moest ondergaan.
 
De Tweede Politionele Actie begon. Naar Sebaloeh, van waaruit enkele belangrijke acties werden uitgevoerd, moest extra fourage worden gebracht. Hoes en zijn mensen moesten daar de hele dag in touw zijn om constant warm eten en drinken te hebben, zodat het er ging lijken op een restaurant. Na de bezetting van Poedjon werd getracht in de overgebleven puinhopen een bruikbare keuken in te richten. Het lukte, naar lang bleef ze niet in gebruik, want reeds in januari kwam de grote overplaatsing van het gehele Bataljon naar Loemadjang. Wanneer er geen brug opgeblazen was en wanneer de spoorlijn zelf nog compleet genoemd kon worden, kwam het brood per trein uit Djember. Meermalen echter was er stagnatie en dan gingen men zelf naar Josowilangoen. De weekfourage kwam per trein ... totdat op een goede dag een partij levensmiddelen, plus 35000 sigaretten, ontvreemd werden. Daarna ging het weer per auto.Toen in maart de Staf naar Probolinggo trok, werd de indeling nog eens veranderd. Het aantal keukens groeide onrustbarend en bereikte op een gegeven ogenblik de 28! In de uren dat de spullen bij de menagemeester afgehaald werden was het daar dan ook een drukte van belang. Een passar in het klein. Bakkerij Djember was intussen vervallen en opnieuw werd brood betrokken uit Soerabaja. Brandhout werd hier zelf gekocht. Het was niet duur, maar de kwaliteit liet veel te wensen over. De beruchtste van het nieuwe stel keukens waren wel Poespo en Gerbo. Niet vanwege de post zelf, of door de kok, maar vanwege de weg, die er heen liep. Deze periode bleef dan ook niet zonder ongelukken. Meer dan eens werd er een wagen gekraakt, terwijl ook de spoorlijn in de buurt van Bangil wel eens werd opgeblazen. Men ging dan zelf naar Porong of Sidoardjo, waar de trein werd opgehouden. Voor alle zekerheid was de auto van de VO voorzien van een Colt-vliegtuigmitrailleur, die vrijwel geen dienst hoefde te doen.

De 3e compagnie, die in voeding was hij de Huzaren van Boreel, beleefde heel wat moeilijkheden. Het was een doorlopende geschiedenis van omgehakte bomen en doorgesneden draden. Dat klaarzetten van de fourage voor de keukens vergde meer, dan men zou denken. Voor de diverse categorieŽn militairen was het rantsoen namelijk verschillend. Vrijwel iedere post bestond uit een mengsel van KL, KNIL, informanten en gevangenen. Vier verschillende groepen en dus ook vier verschillende rantsoenberekeningen.

Een sombere dag in de Pasoeroean-periode was 14 mei 1949 toen de kok S.Bos in Poerwosari sneuvelde. De volgende dag werd hij met militaire eer begraven op Kembang Koening.

Het keukenpersoneel was in de loop van de tijd niet voltallig gebleven. Al in Soerabaja werd sgt. Nieboer overgeplaatst naar de "X"-brigade, en anderen repatrieerden na ziekte of ongeval naar Nederland. Langzamerhand kwam er een tekort aan koks, dat aangevuld werd met jongens uit de troep die wel wat voor het vak voelden.

Tenslotte kwam het vak Grissee, waar alles opnieuw ingericht moest worden. De 2e en 3e compagnie kwamen rechtstreeks onder Soerabaja. Naar de andere eenheden werd weer met de truck gereden. De wegen naar Patjiran, Sidajoe en Karang Binangoen waren verschrikkelijk slecht.

In oktober 1949 werd de toko gesloten, maar het werk was nog niet gedaan, want aan boord van de "Tabinta" werd de pot klaargemaakt en ook de drie weken in Djakarta draaiden nog twee keukens op volle toeren. Tenslotte werd op de "Kota Inten" weer een beroep gedaan op de koks, maar nu niet voor een rijstmaaltijd, maar voor Nederlandse gerechten.

(pagina C.P.Bokkers)