Ber

siap

 
De door de Britten bezette enclaves in Batavia en Tandjong Priok en de voormalige interneringskampen over geheel Java werden nu het centrale mikpunt van agressie en geweld. Ook in Batavia nam, ondanks de Britse aanwezigheid, het aantal incidenten toe.
Kidnappingen, moorden, spoorloze verdwijningen en verkrachtingen waren aan de orde van de dag. Dagelijks dreven er lijken van vermoorde Europeanen en Indonesiërs in de kanalen. De Britten stelden daar weinig tegenover. Mede vanwege het geringe aantal troepen voerden zij een terughoudend beleid. De Britse sterkte bedroeg begin oktober slechts 1000 man, later 5000 man. Pas in de derde week van oktober zouden verdere versterkingen aankomen. Door dit gebrek aan mankracht hing het voortbestaan van Christison en zijn manschappen die eerste weken aan een zijden draad. Afgezien daarvan was de Britse leiding doodsbenauwd partij te worden in een conflict dat men niet als het hare zag. Dit terughoudende optreden werd door de Nederlandse slachtoffers niet begrepen en leidde tot toenemende verbittering.De verbittering en verontwaardiging werden nog vergroot, doordat de Britten zich, bleven verzetten tegen toelating van Nederlandse troepen. Als zodanig waren beschikbaar enkele inderhaast heropgerichte KNIL-eenheden en de versterkingen, die in november uit Nederland arriveerden.
De Britten konden overigens niet voorkomen dat de pemoeda's ook hen als partij gingen beschouwen: één die de Nederlandse belangen verdedigde. Zij werden dan ook zelf doelwit van de aanvallen van de pemoedas, Vanuit het zuiden rukten tienduizenden pemoeda's naar Batavia op., De Republikeinen vonden hier echter 1000 man KNIL-troepen op hun weg onder leiding van
generaal-majoor W. Schilling. Deze wisten de aanvallen, ondanks hun slechte fysieke en psychische conditie (men kwam net uit de kampen) af te slaan. Het ging wel ten koste van grote verliezen. Ook in Bandoeng met zijn vele interneringsoorden namen agressie en geweld toe.

Indonesische bedienden, die zich aanvankelijk bij hun voormalige bazen hadden aangemeld, keerden onder de toenemende intimidaties hun werkgevers de rug toe. Het geweld van de pemoeda's richtte zich overigens ook tegen Japanners. Zo werd op 10 oktober de lokale Japanse commandant, generaal Mabuchi, door een aantal Indonesische jongeren uit zijn auto gegooid. Mabuchi liet daarop zijn troepen krachtdadig ingrijpen. In een mum van tijd werd de rust hersteld. Daarmee werd in één moment zichtbaar wat de Japanners hadden kunnen betekenen, wanneer de Britten er, net als op Sumatra, in Malaya en in Indo-China, wel in geslaagd waren om de Japanse troepen in het gareel te houden. Pogingen om de controle over de Japanse commandanten te behouden waren er overigens wel degelijk. De leiders van de Britse RAPWI-teams in Midden-Java bijvoorbeeld deden hiervoor hun best. Toch konden ook zij niet voorkomen dat de Japanners ook hier hun wapens aan de pemoeda-strijdgroepen overgaven en zich ook uit de interneringskampen volledig terugtrokken. Rond de vrouwen en kinderkampen in Midden-Java barstte een crisis los. De kampen werden omsingeld door Republikeinse strijdgroepen. Er vonden vele gewelddadige incidenten plaats. Pemoeda's dreven in een van de kampen vrouwen en kinderen bijeen en gooiden vervolgens handgranaten in de groep. Ook in Semarang leidde de Japanse terugtrekking tot een machtsovername door pemoedagroepen. Toen een aantal Japanners in de Boeloe-gevangenis werd vermoord besloot de Japanse majoor Kido op 15 oktober in te grijpen, Met slechts 500 man en via zeer hard optreden veegde hij Semarang schoon.