van 

Mook

 
 
Van Mooks groeide op in Semarang en volgde de HBS te Soerabaja. Was o.a. lid van het Indonesisch Verbond van Studeerenden. In 1914 meldde hij zich als vrijwilliger voor het Nederlandse leger aan. Twee jaar later echter ging hij in Leiden Indologie studeren.In 1918 deed hij eindexamen voor de Nederlandsch-Indische administratieve dienst en werd benoemd tot controleur in Semarang.  In 1921 werd hij bevorderd tot raadsman in agrarische aangelegenheden van de sultan te Djokjakarta. Drie jaar later werd hij tot assistent-resident van politie te Batavia benoemd.
  Van Mook werd op 20 november 1941 tot minister van KoloniŽn benoemd in het kabinet-Gerbrandy. Hij bezocht de VS en andere landen, waar hij contacten met politici en zakenlieden legde om zijn conceptie van een toekomstig IndonesiŽ waarin Nederlanders en IndonesiŽrs op gelijke voet zouden leven en samenwerken, te propageren. Met name in de VS, die principieel tegen een terugkeer tot de vooroorlogse koloniale verhoudingen gekant waren, verwierf hij zich zodoende een reputatie die ook in de internationale pers tot uitdrukking kwam.
Met de Japanse capitulatie in augustus 1945 begon de meest belangrijke fase van zijn loopbaan. Op 4 oktober 1945 arriveerde hij te Batavia om bij afwezigheid van de G.G. het bestuur op zich te nemen.
Vanaf het begin begreep hij dat gezagsherstel slechts mogelijk was door de realiteit van de R.I. binnen Java te aanvaarden en met de leiders ervan te onderhandelen. Einddoel was voor Van Mook een federatief zelfstandig IndonesiŽ in Unieverband en onder de gezag van Nederland. Hij wist de nieuwe minister van KoloniŽn, Logemann en minister-president W. Schermerhorn te overtuigen van de noodzaak van onderhandelingen.

Daardoor bleven spanningen met Den Haag niet uit, waar men aan de ene kant met de oppositie en de publieke opinie rekening moest houden en aan de andere kant minder inzicht kon hebben in de revolutionaire situatie. Na ontslag van Van Starkenborgh viel aan Van Mook vanzelf de leiding van het Nederlandse bewind in IndonesiŽ in handen.Het bestuursapparaat reorganiseerde hij grondig.Hij kreeg doorlopend met alle controversiŽle krachten te maken: met de nationalisten, die herstel van het Nederlandse gezag wilden verhinderen en de onafhankelijkheid eisten; met de diverse minderheden in IndonesiŽ, die weer eigen verlangens hadden; met de Engelsen, die het militaire gezag uitoefenden;  met Den Haag, waar men niet al te zeer vooruit kon lopen op de stemming en wil van partijen en publieke opinie, die in Soekarno een verrader en Japanse knecht zag en pas na volledig gezagsherstel met de gematigde groep wilden onderhandelen; en met een wereldopinie, die Nederland, van paternalisme beschuldigde.

Met al deze geledingen moest Van Mook, bijna drie jaar lang blijven onderhandelen. Van alle betrokkenen was hij zonder twijfel degene met de grootste kennis van zaken, het meeste overzicht, het snelste reactievermogen, werd gedwongen bakens te verzetten. Zijn tactiek was herstel van orde via onderhandelingen en in samenwerking met de gematigde nationalisten, die in Sjahrir hun belangrijkste exponent vonden. Was er altijd op uit ordeherstel als een gemeenschappelijke zaak van alle partijen te propageren, rekening houdend met Nederlands militaire en economische zwakte en zijn politieke geÔsoleerdheid. Toch was Van Mook niet principieel afkerig van gewapend ingrijpen.
In Nederland was Van Mook fel omstreden en werd hij in brede kringen als een onbetrouwbare onnationale figuur aangevallen
.De aantijgingen zag hij als een uitvloeisel van een achtergebleven instelling en wereldvreemdheid. Zij konden hem niet van zijn koers afbrengen. Bij alle onderhandelingen in de jaren 1945 tot 1948 speelde hij een vooraanstaande rol en muntte hij uit door telkens nieuwe initiatieven: met de nationalisten, met de Engelsen, op de Hoge Veluwe-conferentie (14-24 april 1946), als voorzitter van de Malino-conferentie (15-25 juli 1946) en bij parafering van de ontwerp-overeenkomst te Linggadjati (15 november 1946). Toen er van het daar gesloten bestand niets terechtkwam, werd hij in juli 1947 door Den Haag gemachtigd tot de eerste politiŽle actie (21 juli-4/5 augustus 1947) die door het ingrijpen van de Veiligheidsraad moest worden afgebroken. Ook bij de nieuwe onderhandelingen onder supervisie van de Commissie van Goede Diensten (BelgiŽ, AustraliŽ en de VS), was hij opnieuw als een van de voornaamste leden betrokken; onderhandelingen die tot een nieuwe overeenkomst op het Amerikaanse oorlogsschip Renville (17 januari 1948) leidden. Een voorlopige federale regering werd gevormd, die op die basis overleg voerde te Bandoeng en in Den Haag.

Toch werd de verhouding tussen Van Mook en de nieuwe regering - Sassen was Jonkman inmiddels opgevolgd en L.J.M. Beel kwam steeds meer als feitelijke supervisor van de Indische regering naar voren - moeilijker, en toen Den Haag de zaken zelf meer in de hand wenste te nemen en aan Van Mooks zo zelfstandige positie daarmee een einde dreigde te komen, verzocht hij om ontslag, dat hem op 25 oktober 1948 werd verleend. Op 3 november droeg hij het gezag aan Beel over. Hoewel nooit officieel, was hij de laatste landvoogd en werd hij als zodanig ook gezien.

Hij verbleef korte tijd in Nederland maar aanvaardde in 1949 een leerstoel aan de Berkeley-University, Californie. In 1951 trad hij in dienst van de Verenigde Naties als deskundige voor Ontwikkelingsgebieden. In 1960 vestigde hij zich in Frankrijk, waar hij vijf jaar later na een korte ziekte overleed.

© H.W. von der Dunk

© Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)